De
dood
schreef mij een
brief
De
dood heeft
mij een brief geschreven
Ik las hem op het dorrend blad,
Dat, door den
stormwind voortgedreven,
Op 't
vensterglas had postgevat.
Dus las ik:
«Wand'laar, rep uw schreden!
Uw avond komt,
uw nacht daalt neêr.
Doe wat gij
nog kunt doen op heden,
Want morgen
daagt u dra niet meer.
Torsch willig
wat gij nog moet dragen!
Haast valt het
kruis uw schouders af.
En wacht van
't eeuwig welbehagen
Uw kroon aan
d'andre zij' van 't graf!
» En
'k schreef terug:
«Dank, schrikbre Koning!
Dat gij uw moeden onderdaan
Bij 't
naad'ren aan zijn laatste woning
Een kalmen
blik Vooruit doet slaan.
Ik hoor het
ruischen van uw voeten,
Maar 'k sidder voor uw aanblik
niet.
'k Mag als
Bevrijder u begroeten,
die mij voor onrust Ruste
biedt.
Bleek vrij dit hart, verdoof mijn zinnen,
Ja, blusch
mijn laatste levensstraal!
Verwonnen zal ik overwinnen,
En - Dood!
Waar blijft úw zegepraal? »
(J.J.
van
Oosterzee)