zeg, heb j' er wel eens
over nagedacht,
Dat woorden,
lachjes, blikken kunnen -
doden?
Geen wet heeft 't
dragen van dat
wapentuig verboden,
En 't heeft
toch al zo héél
veel wonden toegebracht,
Want - 't
wrede woord is van je lippen,
vóór je 't weet:
Toe, jongens,
weest niet wreed!
Je makkers
noemen je zo gauw een reuze kei.
Geen kunst,
ze te vermaken met je grove
grappen,
Als 't je
niet deert de stumper op het hart
te trappen;
Zie, ieder
juicht je toe, en lacht - behalve
hij!
Kijk naar
zijn droeve blik, en zie wat je
misdeed -
Toe, jongens,
weest niet wreed!
Jij,
vluggerd, die zo makkelijk je lessen
leert,
Bedwing je,
smoor die harde hoonlach, jonge
spotter,
Als daar een
zwakke broeder, in beangst
gestotter,
Blijft steken
in zijn les, zo moeizaam
bestudeerd,
Waarop hij heeft gezwoegd,
met tranen en
met zweet -
Toe, jongens, weest niet wreed!
Jouw pak - Papa betaalde 't! - is
volmaakt van
snit.
Maar moet je nu je buurman, d'
arme drommel,
plagen,
Omdat ie d' oude plunje van zijn
broer moet
dragen?
Doe net, of je niet ziet dat 't
ding hem
lelijk zit;
Hij ging heus graag precies zo
fijn als jij
gekleed!
Toe, jongens, weest niet wreed!
Bespot hem
niet, ,,die neus",
,,die kromme",
of ,,die bult".
Dankt God, dat gij zo welgemaakt
zijt, slanke
knapen;
Weest er niet trots op! Ge hebt u
zelf niet zo
geschapen!
Dat hij niet mooier is, is niet
zijn eigen
schuld.
Kom, maakt, dat hij het eens een
ogenblik
vergeet!
Toe, jongens, weest niet wreed!
,,Die katjang!"- O, ik weet, je
meent het niet
zo kwaad,
Maar stel nu eens voor, dat jij
zo was geboren,
Zou jij daar dan graag elke,
élke dag
van horen?
Denk hier eens aan, en -
wedden,
dat je 't
voortaan laat?
Er zijn toch leuke
jongensnamen
bij de vleet!
Toe, jongens, weest
niet wreed!
,,Die rooie"gaf wel
graag een
stukje van zijn pink,
Om zijn pruik voor
jouw blonde
krullebol te ruilen,
En eenzaam ligt hij
's nachts
misschien in bed te huilen;
Hij hield zich
overdag zo kranig
en zo flink,
Maar als hij 's heel
alleen is
met zijn stille leed....
Toe, jongens, weest
niet wreed!
Je bent nog jong. De
zonne
schijnt, de lente lacht,
Je speelt een
vrolijk spel in
tien of twaalf bedrijven;
Kom, laat dat stuk
voor allemaal
een blijspel blijven!
Wie weet wat jou, of
d' and'ren
in de wereld wacht?
Daar 's meen'ge
droeve rol 't
Spel, dat 't Leven heet...
Toe, jongens,weest
niet
wreed!