
Bij den onvruchtbaren boom in Gods wijngaard
Wat, een onvruchtbre boom! en in een grond zoo goed?
Dit is het wat, met recht, Gods hart weêrhouden moet
Dat Hij u zegen schenk'. Draagt vrucht, o kwade boom,
Opdat niet plotseling zijn vloek u overkoom'!
En gij, heeft God ook u niet bij een stroom geplant?
Staat met uw vruchtenbloei Gods eer niet in verband?
Voor u ook luidt het woord: Houw neêr dien kwaden boom,
Draag vrucht, opdat Gods vloek niet plotseling op u koom'!
Thans is het einde daar van 't lang gerekt geduld
't Is nutloos en vergeefs, dat gij de plaats vervult,
Een beetren vruchtboom waard. Gij zijt een kwade boom,
Draag vrucht, opdat Gods vloek niet haastig op u koom'!
Geen rang is 't die hier baat, geen naam, hoe schoon hij zij,
De vruchtbre slechts blijft staan. Gij zijt uw val nabij.
De bijl ligt aan uw voet. Draag vrucht, o kwade boom,
Opdat niet plotseling Gods vloek u overkoom'!