Lordhand

1
Het Lijden van Jezus Christus onze Zaligmaker.

   In het twee en veertigste jaar van de regeering van Augustus, den tweeden Romeinschen keizer, is Jezus Christus, de eenige Zoon van den levenden enn almachtigen God, door de kracht des Heiligen Geestes ontvangen en geboren uit de maagd Maria, en waarachtig mensch geworden uit het zaad van David naar het vleesch, gelijk Hij te voren den vaderen was beloofd, om het menschelijke geslacht met Zijn Vader te verzoenen, en van zonde, dood, duivel en verdoemenis te verlossen door de onbevlekte offerande Zijns lichaams.
   Zijne ontvangenis te Nazareth en Zijne geboorte te Bethlehem is zeer wonderbaar en goddelijk geweest; en, naardien Hij om onzentwil onder de wet geworden is, om ons van de slavernij der wet te verlossen, is Hij besneden, en in den tempel den Heere voorgesteld; ook is Hij toegenomen in wijsheid, in grootte en in genade bij God en de menschen. Maar, aangezien door het gerucht van de komst der Wijzen, Herodes en geheel Jeruzalem beroerd waren over Zijne geboorte, hebben zij Hem terstond vervolgd en, om Hem te dooden, de Bethlehemitische kinderen wreedelijk vermoord; maar Christus is (door de waarschuwing van den Engel) met Zijne ouders naar Egypte gevlucht, en daar gebleven tot den dood van Herodes. Toen Hij onder de regering van Archelaüs wederkeerde naar Nazareth, was Hij Zijne moeder en vermeenden vader onderdanig. Verder zich met Zijne ouders begevende naar de feesten te Jeruzalem, heeft Hij op Zijn twaalfde jaar een heerlijk bewijs van Zijne Godheid getoond onder de geleerden der wet, en heeft voorts een gewoon leven geleid, Zich met timmeren bezig gehouden onder Zijn vermeenden vader Jozef, tot het dertigste jaar Zijns levens.
   In het dertigste jaar Zijns levens, toen Tiberius, de derde keizer van Rome, regeerde, is Hij aan Israël geopenbaard, en door God Zijn Vader in het openbaar door den doop en de zalving des Heiligen Geestes tot onzen grooten Profeet, Hoogepriester en eeuwigen Koning gewijd, dat is tot onzen waren Messias en Zaligmaker.
   En, om dit ambt ten onzen beste te kunnen bedienen, heeft Hij Zich begeven tot vasten en bidden, waarin Hij verzocht is geweest van den satan; maar hem krachtig overwinnende, heeft Hij het leeraarsambt bediend met zulk eene macht, volkomenheid en aangenaamheid, dat zelfs Zijne vijanden zich daarover verwonderen en zich ontzetten.
   Zijn hemelsche leer en den wil Zijns Vaders heeft Hij Zijn eigen persoon, door Zijne goddelijke kracht, met zulk een overvloed van wonderen bevestigd en versterkt, dat zelfs de redelooze schepselen daarover bewogen en alle menschen verwonderd waren.
   Hij heeft de kerk van God Zijn Vader hervormd en gezuiverd, alle dwalingen en vervalschingen van de wet verbeterd, de boosheden der menschen bestraft en de verdrukkers der waarheid gestadig overwonnen. Hij heeft Zich ook discipelen verzameld, en eene kerk of geestelijk rijk opgericht.
   In Zijn leven heeft Hij onstraffelijk en onbevlekt gewandeld, opdat Hij de wetvoor ons zou kunnen volbrengen, gelijk van den waren Messias werd vereischt, en door de reine beesten in deofferanden is afgebeeld.
   Hij was de schoonste en heerlijkste onder alle menschen; in voorkomen, gedaante en zeden aldus gesteld, dat Hij wonderlijk was en aangenaam boven alle schepselen, Welken de Engelen hebben begeerd te aanschouwen. In één woord, in alles was Hij vol wijsheid, ernst en heerlijkheid; ja de kracht Zijner Godheid was menigmalen glansrijk en te aanschouwen in Zijn menschelijk lichaam.
   Maar om onzentwil is Hij integendeel geweest de allerverachtste en onwaardigste, een worm en geen mensch, doordien Zijn gansche leven één gedurig lijden is geweest, opdat Hij ons door Zijn lijden zou heiligen; want wat Hij heeft geleden van de ondankbare Joden, Schriftgeleerden, Farizeën en vele andere goddelooze menschen, en hoe menigerlei benauwdheden, gevaren en zwarigheden Hij voornamelijk gedurende den tijd van drie jaren heeft uitgestaan en verdragen, is met geen woorden uit te spreken, noch pen te beschrijven.
   Doch men moet onderscheid maken tusschen Hem en de martelaren, wier dood, hoewel kostelijk in de oogen des Heeren, niet tot verlossing van iemand strekt, maar om te bewijzen de volstandigheid van hun geloof en de vervulling der broederschap; want Christus heeft de pers alleen getreden, overmits Hij heeft geleden en gesmaakt den toorn Gods en de gramschap der hel, welke alle martelaren, laat staan lijden en dragen.
   De kerkleeraars zeggen wel, dat het bloed der martelaren het zaad der kerk is, maar niet de verzoening der kerk. En, als zij gezegd worden de overblijfselen van het lijden van Christus te vervullen, dan is dit niet zoo te verstaan, dat aan het lijden van Christus iets zou hebben ontbroken, maar zij Zijn voorbeeld navolgen, en alzoo is Hij nog lijdende in Zijne heiligen. Want, zooveel de verzoening der kerk aangaat, zij is alleen verlost en gezuiverd door het dierbaar bloed van Christus Jezus,den Zoon Gods.
   Voorts, benevens de verzoening in Christus, zoo dient ons ook Zijn lijden tot een voorbeeld om na te volgen; want Hij is als onze Heere en opperste Hoofd ons voorgegaan, opdat wij, onder Zijn banier strijdende, door Hem zouden verkrijgen de volle overwinning tot onze zaligheid. Maar Hij is alzoo niet de eerste onder alle martelaren, in deze tijd, onder keizer Tiberius; want het Lam Christus is van het begin der wereld aan geslacht, zoodat Hij is de eerste en als het Hoofd der martelaren vóór Abel en al de profeten, die ooit om des Heeren wil hebben geleden; maar eigenlijk heeft Hij in de volheid des tijds alle dingen door Zijnen dood volbracht.
   Ten laatste, nadat Hij het Heilige Avondmaal den Zijnen tot eene gedachtenis van Zijnen dood en verzegeling van hunne zaligheid had ingesteld, is Hij van Zijn eigen discipel Judas verraden, en van eene groote schare, uitgezonden door de Overpriesters, Schriftgeleerden en Ouderlingen van het volk, gewapend met zwaarden en stokken, gevangengenomen en gebonden.
   Dezen brachten hem eerst naar Annas, die Hem daarna gebonden zond naar Kajafas den hoogepriester, waar de Schriftgeleerden en Ouderlingen vergaderd waren.
   Voor dezen Joodschen raad is Hij valsch beschuldigd, dat Hij gezegd had, dat Hij den stoffelijken tempel van Jeruzalem, die met handen gemaakt was, zou afbreken, en in drie dagen een anderen, zonder handen gemaakt, opbouwen. Daar heeft men ook verklaard, dat Hij een Godslasteraar was, overmits Hij Zich Gods Zoon had genoemd. Daar hebben eenigen Hem in Zijn heilig aangezicht gespogen en met vuisten geslagen; anderen hebben Hem kinnebakslagen gegeven en gezegd: "Profeteer on Christus, wie is het, die U geslagen heeft?"
   Deze Joodsche raad Hem, des doods schuldig geoordeeld hebbende, is Hij door hen aan den wereldlijken rechter Pontius Pilatus overgeleverd, met verzoek, dat Hij zou gekruisigd worden. Pilatus, wetende, dat de Joden Hem uit nijd hadden overgeleverd zocht alle middelen om Hem los te laten, en betuigde dat Hij, na naarstig onderzoek van alles, geene schuld in Hem vond; maar, ziende, dat Hij hierdoor bij hen niets vorderde en dat zij desniettegenstaande bleven roepen: ,,Kruis Hem, kruis Hem," en hem dreigden met de ongenade des keizers, zoo heeft hij (nadat hij zijne handen met water gewasschen en betuigd had, dat hij onschuldig was aan het bloed van dezen Rechtvaardige, en den Heere Jezus had gegeeseld) Hem aan de krijgsknechten overgeleverd om gekruisigd te worden.
   Dezen hebben Hem, in het rechthuis nemende, ontkleed, een purperen mantel aangedaan, een doornenkroon op het hoofd gezet, een rietstok in Zijn rechterhand gegeven, en, op hunne knieën voor Hem neervallende, bespot, zeggende: "Wees gegroet, gij Koning der Joden;" en op Hem gespogen hebbende, hebben zij Hem met een rietstok op het hoofd gelagen, daarna den mantel afgedaan, en wederom Zijn eigen kleederen aangetrokken, en aldus uitgeleid om gekruisigd te worden.
   Eindelijk werd hij naakt tusschen twee moordenaars gehangen, Zijne handen en voeten doornageld en aan het kruis gehecht. Onder vreeselijke smarten des lichaams en der ziel, in de uiterste benauwdheid, om onzer zonden wil, uitroepende: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten," is Hij gestorven, terwijl Hij Zijne ziel met vertrouwen in de handen van God Zijn Vader beval, in den leeftijd van drie en dertig jaren, omtrent het achttiende jaar der regeering van Tiberius, den derden keizer van Rome.
   De Heere Jezus Christus is na Zijn dood door Jozef van Arimathea en Nikodemus op eervolle wijze ter aarde besteld en begraven, en ten derden dage als de eersteling dergenen, die ontslapen zijn, opgestaan uit de dooden, tot eeuwige onsterfelijkheid. Na veertig dagen is Hij openlijk voor de oogen Zijner Apostelen ten hemel gevaren, en gezeten aan de rechterhand Gods, om ten jongsten dage vandaar weder te komen, ten einde te oordeelen de levenden en de dooden, en Zijne geloovigen op te wekken, en met lichaam en ziel over te brengen in het eeuwige leven.  


Volgende verhaal

Terug index verhalen