Lordhand

10
Paulus van Tarsen te Rome onthoofd, onder keizer Nero.
 
[Jaar 63.]

   Paulus, die ook Saulus genaamd werd, was van afkomst een Hebreër uit de Hebreën, uit het geslacht van Israël, van de stam Benjamin. Wie zijne ouders geweest zijn, blijkt niet. Toen de Romeinen hunne woonplaats hadden verwoest, begaven zij zich naar de vermaarde stad Tarsen in Cilicië, waar Paulus is geboren. Hij was naarstig onderwezen in de vaderlijke wet door den wijzen Gamaliël, in de kennis waarvan hij heeft uitgemunt boven velen van zijn leeftijd in zijn geslacht. Onberispelijk heeft hij naar de Joodsche wet geleefd. Hij was een Farizeër en een vurig vervolger en verdrukker van de gemeente Gods, zoo zelfs, dat hij een welbehagen had aan den dood van Stefanus, en de kleederen bewaarde dergenen, die hem doodden. Na den dood van dien martelaar verwoestte Paulus de gemeenten te Jeruzalem, zelfs tot Damaskus, bij welke stad, blazende nog dreiging en moord tegen de volgelingen des Heeren, hij door Christus uit den hemel snellijk met een licht is omschenen, ter aarde geworpen en met blindheid geslagen, en alzoo krachtig, niet van menschen, noch door menschen, maar door den Heere Zelven geroepen, om een uitverkoren vat te zijn, en Zijn naam te dragen voor de heidenen, en de koningen en de kinderen Israëls. Na drie dagen werd hij door Ananias, tot wien hij te Damaskus door den Heere was gezonden, wederom ziende gemaakr, gedoopt, de handen opgelegd en vervuld met denHeiligen Geest, terwijl hij terstond Christus predikte in de Synagoge, betuigende, dat Hij de Zoon van God was.
   Eenigen tijd hierna zeide de Geest tot de Profeten en Leeraars der gemeente te Antiochië: ,,Zondert mij af, beiden, Barnabas en Saulus, tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb;" en zij werden door den Heiligen Geest uitgezonden.
   Dezen Paulus waren allerlei geestelijke gaven geschonken, zzoals  om de geesten te onderscheiden, de gave der profetie, der tongen, en hij bezat ongewone krachten, gave der onthouding, van uitnemende openbaringen, zoo zelfs, dat hij in den derden hemel is opgetrokken geweest, en daar gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die den mensch niet geootloofd zijn te spreken. Maar, opdat hij zich door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, heeft de Heere hem een engel des satans als een scherpe doorn in het vleesch gegeven, die hem met vuisten zou slaan, opdat hij zich niet zou verheffen. Die heeft hem ook menigmaal verhinderd hier of daar heen te reizen, om het Evangelie te prediken, zoodat hem, gelijk hij zelf betuigt, de listen des duivels niet onbekend waren.
   Daarenboven was hij nog versierd met vele christelijke deugden van getrouwheid en een zeer goed geweten aangaande zijnen dienst, had een vaderlijke zorg voor al de gemeenten en een hartelijke liefde tot haar, tot zijne eigene verbanning, ja zelfs tot den dood toe. Hij was mild van harte; en vreemd aan gierigheid, arbeidde hij liever met zijne eigene handen, daar hij van handwerk een tentenmaker was, opdat hij de zwakke gemeenten niet zou bezwaren. Hij toonde zich trouwhartig jegens de arme gemeenten, doordie van de aalmoezen der rijken getrouw te verzorgen. Met al deze geestelijke gaven en christelijke deugden was deze Apostel zoo nederig, en had zulk een klein gevoel van zichzelven, dat hij, zijn vorigen toestand voor zijne bekeering bedenkende, en den Heere dankende voor Zijne genade en barmhartigheid aan hem bewezen, menigmaal bekend heeft, dat hij niet waardig was een Apostel genaamd te worden, hoewel hij in geen ding minder was dan de uitnemendste der Apostelen, ja, door de genade Gods, die met hem was, overvloediger gearbeid had dan zij allen.
   Wat hij op zes verschillende reizen, gedurende den tijd van bijna dertig jaren, geleden heeft, toen hij vertoefde in Judea, Syrië, Azië, Macedonië, Griekenland, Italië en elders, is duidelijk te lezen in de Schriften des Nieuwen Testaments en andere geschiedboeken. Terstond na zijne bekeering en doop predikte hij Christus in de Synagoge binnen Damaskus en ging vervolgens naar Arabië. Toen hij naar Damaskus terugkeerde, en daar de waarheid moedig beleed en mannelijk verdedigde, hebben de Joden hem lagen gelegd, zoo zelfs, dat de poorten bewaakt werden en de stadhouder van den koning Aretas hem wilde gevangen nemen. Doch de gemeenteleden lieten hem des nachts in eene mand over den muur, en hij ontkwam alzoo aan zijne handen en kwam te Jeruzalem bij de Apostelen.
   Terwijl hij met vrijmoedigheid sprak in den naam van den Heere Jezus, en zijn woor ook richtte tegen de Grieksche Joden, wilden zij hem daarom dooden. Toen dit bij de broeders bekend werd, hebben zij hem naar Cesarea geleid, vanwaar hij zijne tweede reis begon in Syrië en Cilicië en keerde later naar Jeruzalem terug.
   Vandaar deed hij zijne derde reis naar Antiochië en ging op bevel van God naar Seleucië, en Cyprus, en kwam te paphos, waar hij den stadhouder Sergius Paulus heeft bekeerd. Vandaar kwam hij te Perge, eene stad in Pamphylië, en daarna te Antiochië, eene stad in Pisidië, waar de Joden tegen hem en Barnabas oproer verwekt hebben, zoo zelfs, dat de heidenen hen uit hunne landpalen hebben geworpen. Vandaar kwamen zij te Iconië, waar de Joden de heidenen tegen hen opruiden, en hen wilden smaden en steenigen, zoodat zij vluchtten naar de steden van Lycaonië, namelijk Lystre en Derbe, waar ook de Joden van Antiochië en Iconië het volk tegen Paulus opzetten, zoodat de schare Paulus heeft gesteenigd en buiten de stad gesleept, meenende, dat hij dood was. Tot zichzelven gekomen zijnde, ging hij den volgenden dag met Barnabas naar Derbe, en, nadat zij in die stad het Evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt hadden, keerden zij weder naar Lystre, Iconië en Antiochië, en versterkten daar de zielen der gemeenteleden en vermaanden hen, dat zij zouden blijven in het geloof. Pisidië doorreisd hebbende, kwamen zij te Pamphylië, en, toen zij te Perge het Evangelie verkondigd hadden, vertrokken zij naar Attalië, en scheepten vandaar af naar Antiochië. Toen zij daar waren en de gemeenten te zamen geroepen hadden, verhaalden zij welke groote dingen God door en met hen gedaan had, en dat Hij den heidenen de deur des geloofs had geopend, en verkeerden daar een geruimen tijd met de gemeenteleden. Terwijl Paulus en Barnabas daar waren, ontstond er een twist tegen sommigen, die van Judea gekomen waren over de noodzakelijkheid der besnijdenis. Men kwam overeen, dat Paulus en Barnabas en eenige anderen uit hen naar de Apostelen en Ouderlingen zouden gaan te Jeruzalem, om over dit verschil samen te spreken. Daar geraakte men het met de Apostelen en Ouderlingen over dit verschilpunt eens, zoodat zij, in gezelschap van Judas bijgenaamd Barnabas, en Silas, die voorgangers waren onder de broeders, met brieven gezonden werden naar Antiochië, waar zij den vrede in de gemeente herstelden.
   Vandaar ging Paulus met Barnabas voor de vierde maal op reis ten einde de broeders in elke stad te bezoeken waar zij het Evangelie verkondigd hadden, en naar hun toestand te vernemen. Er ontstond echter een verschil tusschen Paulus en Barnabas over Johannes, bijgenaamd Marcus, en Paulus verliet Barnabas, nam Silas mede en vertrok naar Syrië en Cilicië, de gemeenten versterkende, en kwam te Derbe en Lystre, waar hij Timotheus aan zich verbond, met hem door Phrygi"en Galatië reisde en eindelijk te Troas kwam. Hier werd hij door een gezicht vermaand naar Macedonië te reizen, en kwam, verscheidene plaatsen doorreisd hebbende, te Phillippi, de voornaamste stad van Macedonië, waar hij en Silas, op bevel der hoofdmannen werden gegeeseld en daarna in de gavangenis geworpen, met bevel aan de stokbewaarder, dat hij hen goed verzekerd zou bewaren. Door goddelijke kracht werden de deuren der gevangenis geopend, hunne boeien losgemaakt, en zij vervolgens door den stokbewaarder, die geloovig was geworden, naar buiten geleid. Deze wiesch hen van de striemen, en werd met al de zijnen gedoopt. Nadat hij hun spijs had voorgezet, en zij door de hoofdmannen uit de gevangenis waren geleid, daar dezen vernomen hadden, dat de Apostelen Romeinen waren, hebben zij op hun verzoek de stad verlaten. Eindelijk, na vele steden te zijn doorgegaan, kwamen zij te Thessalonica, waar Paulus veel volk bekeerde. De Joden echter, met eenige booze mannen uit de marktboeven gemeene zaak gemaakt hebbende, beroerden de stad tegen hen, zoodat de broeders Paulus en Silas des nachts naar Berea zonden, waar men de prediking des Evangelies met alle toegenegenheid ontving. De Joden van Thessalonica kwamen ook daar, en bewogen de scharen tegen hen. Terstond brachten de broeders Paulus naar de zee, en kwam hij te Athene, waar hij in strijd geraakte met de Epicureïsche Stoïsche wijsgeren, die hem hielden voor een klapper en verkondiger van vreemde goden, en hem op de gerechtplaats brachten, waar hij zich met eene welsprekende redevoering verdedigde. Vandaar vertrok hij naar Corinthe, waar hij eenige tijd met prediken bezig was. Hij wilde vandaar vluchten, aangezien hij daar tegenstand en lastering ondervond; maar werd door den Heere in een gezicht vermaand te blijven. Later brachten de Joden hem voor den rechterstoel van den stadhouder Gallio, die hem, na hem gehoord te hebben, liet gaan, en Paulus reisde weder naar Jeruzalem.
   Zijn vijfde reis ondernam Paulus van daar naar Antiochië, en nadat hij aldaar eenige tijd vertoefd had, doorreisde hij vervolgens het land van Galatië, en Phrygië, en versterkte al de gemeenteleden. Van daar ging hij naar Ephese, waar hij gedurende drie jaren met gezegende vrucht, des daags en des nachts, heeft gepredikt en er velen bekeerde, en onder hen die ook hunne duivelsche boeken hebben verbrand. Het schijnt, dat hij omtrent dezen tijd, onder den stadhouder Hiëronymus, volgens heidensche wijze, heeft gevochten tegen de wilde beesten en die overwonnen heeft. Na het grote oproer, dat Demetrius, een zilversmid, om de godin Diana tegen Paulus had verwekt, vertrok de Apostel naar Macedonië, en, nadat hij de gemeenteleden aldaar met vele redenen had vermaand, kwam hij in Griekenland. Toen de Joden hem daar tegenstonden, was hij voornemens naar Syrië te varen, maar veranderde zijn reisplan, en keerde weder naar Macedonië terug. Eindelijk kwam hij, na vele steden doorreisd en hier en daar gepredikt te hebben, te Cesarea, waar de Profeet Agabus hem zijne gevangenneming voorzegde, waarbij hij echter getroost en tevreden was. Toen hij op het pinkersterfeest te Jeruzalem kwam, raadde Jacobus hem aan, dat hij zich met eenige Joden naar de wet zou heiligen. Ofschoon hij dit deed, verwekten de Joden van Azië een oproer tegen hem, zoodat de schare hem greep, buiten den temple sleepte en zocht te dooden. Doch, toen zij den overste zagen met de hoofdmannen over honderd krijgslieden, hielden zij op hem te slaan. De overste greep hem, beval dat men hem met twee ketenen zou boeien, en onderzocht, wat hij gedaan had. Terwijl de Joden in de grootste wanorde schreeuwden en tierden, zoo zelfs, dat men in het rumoer de woorden niet onderscheiden kon, werd hij in de legerplaats gebracht, waar Paulus zich naar behooren heeft verdedigd. Maar de Joden, die de waarheid van Paulus woorden niet konden verdragen, riepen: ,,Weg van de aarde met zulk eenen, want het is niet behoorlijk, dat hij leve!" Vervolgens beval de overste, dat men met geeselen zou onderzoeken, ten einde te weten, waarom de Joden zijnentwege alzoo schreewden. Toen zij hem met riemen uitrekten, om hem tot bekentenis te dwingen, beriep Paulus zich op het Romeinsche burgerrecht, waarop terstond de geeseling gestaakt werd, en Paulus van zijne boeien ontslagen. Den volgenden dag werd hij voor den geheelen Joodschen raad gebracht, waar hij zich weder met Gods Woord verdedigde. Toen in deze vergadering de hoogepriester Ananias bevel gaf aan degenen, die bij Paulus stonden, om hem op den mond te slaan, bestrafte Paulus hem, omdat hij een gevangen en onveroordeeld mensch tegen de wet gebood te slaan.
   Terwijl het oproer al grooter werd, vreesde de overste, dat Paulus door hen zou gedood worden, en liet hem daarom door het krijgsvolk vandaar naar de legerplaats overbrengen. Den volgenden dag spanden veertig Joden tegen Paulus samen, en verbonden zich met een eed, dat zij niet eten noch drinken zouden, totdat zij Paulus zouden hebben gedood. Toen Paulus van deze samenzwering door den zoon van zijne zuster onderricht was, gaf hij door hem daarvan aan den overste kennis. Deze wist dit te voorkomen, door Paulus onder een gewapend geleide te doen overbrengen naar Cesarea, waar hij hem behouden overleverde aan den landvoogd Felix, met bijvoeging van brieven, die voldoende waren om Paulus onschuld te bewijzen. Op deze wijze maakte hij zich gereed tot de zesde reis van Jeruzalem naar Italië.
   Toen de Stadhouder Felix den brief gelezen had, bewaarde hij Paulus in het raadhuis, om hem daarna, in de tegenwoordigheid der Joden, die hem beschuldigden, in het verhoor te nemen, hetgeen vijf dagen na zijne komst plaats had. De hoogepriester Ananias, met den geheelen Joodschen raad, beschuldigde hem den tolk Tertullus, dat hij degene was, die overal onder al de Joden oproer verwekte, dat hij den tempel had ontheiligd, en een opperste voorstander was van de secte der Nazarenen. Met Gods Woord en eene gepaste rede heeft Paulus zich van deze valsche beschuldigingen zoodanig gezuiverd, dat Felix hem bewaarde tot de komst van Lysias, den overste, en vergunde Paulus intusschen verlichting van zijne boeien, en beval dat niemand van de zijnen zou verhinderd worden om hem te dienen of hem te bezoeken.
   Toen eenige dagen daarna Felix met Drusilla, zijne vrouw, daar gekomen was,  werd Paulus daar weer ontboden, die in hunne tegenwoordigheid over het geloof in Christus sprak. En, als Paulus sprak over rechtvaardigheid, matigheid en het toekomend oordeel, werd Felix zeer bevreesd, en zeide tot Paulus, dat hij voor ditmaal zou heen gaan, en dat hij hem, te gelegener tijd, weder zou laten roepen. Om den Joden gunst te bewijzen, hield Felix Paulus gevangen. Toen Porcius Festus in Felix' plaats gekomen was, reisde de nieuwe landvoogd, drie dagen na zijne aankomst, naar Jeruzalem, waar de hoogepriester en de voornaamsten van de Joden hem verzochten, ja, baden, dat hij Paulus naar Jeruzalem zou laten overbrengen, terwijl zij van plan waren Paulus onder weg te dooden. Festus belette dit echter, en vond het beter, dat de Joden zelven van Jeruzalem naar Cesarea zouden reizen, om Paulus daar te beschuldigen, als hij van iets onbehoorlijks kon aangeklaagd worden, zooals dan ook na verloop van eenige dagen plaats had. Terwijl Paulus daar voor den rechterstoel van Festus gebracht was, heeft hij zich met bondige redenen tegen al de beschuldigingen van de Joden mannelijk verdedigd. Om den Joden gunst te bewijzen, vroeg Festus Paulus, of hij naar Jeruzalem wilde gaan, om daar voor hem over deze dingen geoordeeld te worden. Doch Paulus beriep zich op den keizer, daar hij liever in de handen der heidenen dan in die der Joden wilde vallen. Festus en de leden van den raad berustten er in, dat Paulus zich op den keizer beroepen had. Toen intusschen koning Agrippa daar gekomen was, heeft Festus hem de geheele zaak van Paulus verhaald en hem tevens verontschuldigd. Agrippa verlangde Paulus te hooren, en toen Paulus voor hen gebracht werd, hield hij zulk eene voortreffelijke redevoering, dat wel Festus uitriep, dat de groote geleerdheid van Paulus hem tot razernij bracht, maar de koning tot hem zeide: ,,Gij beweegt mij bijna een Christen te worden," en te zamen betuigden zij, dat hij niets gedaan had, wat des doods of der gevangenis waardig was, en dat hij zou losgelaten worden, zoo hij zich niet had beroepen op den keizer.
   Toen de tijd gekomen was, dat Paulus en de andere gevangenen naar Italië zouden afvaren, werden zij aan Julius den hoofdman over honderd overgeleverd, en na vele gevaren en moeilijkheden doorworsteld te hebben, zijn zij eindelijk in zulk een ellendigen toestand geraakt, dat zij veertien dagen hebben doorleefd zonder voedsel, en, toen zij vreesden, dat zij schipbreuk zouden lijden, wilden de krijgslieden Paulus en de andere gevangenen dooden, maar de hoofdman, die Paulus wilde behouden, heeft dit verhinderd.
   Niettegenstaande zij schipbreuk leden, zijn zij allen ongedeerd op het eiland Melite of Malta aangekomen. Na drie maanden daar vertoefd te hebben, reisde Paulus naar Rome, waar hij door de broeders met blijdschap werd ontvangen, terwijl de hoofdman de gevangenen overleverde aan de overste van het leger. Aan Paulus werd vergund op zichzelven te wonen met een krijgsknecht, die hem bewaarde, waar hij na drie dagen zich voor de voornaamsten van de Joden heeft verantwoord over zijne boeien, gevangenneming en beroep op den keizer. Gedurende twee jaren bleef hij in eene eigen gehuurde woning, ontving allen, die tot hem kwamen, predikte het Koningkrijk Gods en leerde van den Heere Jezus Christus met alle vrijmoedigheid onverhinderd.
   Hij zelf heeft gezegd, dat deze gevangenschap grootelijks gediend heeft tot bevordering van het Evangelie, en dat de waarheid daardoor gekomen is tot in het keizerlijke hof. Toen keizer Nero de brieven van Festus ontvangen had, heeft hij Paulus voor de eerste maal bij hem ontboden, die zich tegen de beschuldigingen van de Joden derwijze, door 's Heeren hulp, heeft verdedigd, (ofschoon zij hem allen in deze zijne eerste verantwoording verlieten), dat hij uit den muil van en leeuw, te weten van Nero, verlost werd.
   Toen Paulus nu andermaal voor keizer Nero zou gesteld worden, was hij van zijn aanstaanden dood niet ontwetend, zooals hij aan Timotheüs schrijft: >>Ik word nu tot een dankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande. Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardig  Rechter, in dien dag geven zal, en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijne verschijning hebben liefgehad." Hij werd door keizer Nero veroordeeld om met het zwaard gedood te worden, zooals ook plaats had in het laatst van diens regeering (volgens de berekening van Jozef Scaliger) in het
63ste jaar na de geboorte van onzen Zaligmaker, zeven jaren, nadat Paulus gevangen te Rome was gebracht.

Volgende verhaal

Terug index verhalen