Lordhand

11
Andreas, de Apostel te Patris, in Achaje gekruisigd.

   Andreas, de zoon van Jona, een broeder van Petrus, geboren te Bethsaïda in Galilea, was eerst een discipel van Johannes den Dooper. Daar hij ouder was dan Petrus, en het eerst Christus leerde kennen, heeft hij zijn broeder tot Christus, den waren Messias gebracht. Van beroep was hij een visscher; maar Christus, Die hem riep, beloofde hem een visscher der menschen te zullen maken. Omdat hij den Heere vurig navolgde, en onderwezen was in Diens leer, wandel en wonderen, heeft Deze hem tot een Apostel aangesteld, welke bediening hij met de anderen onder de Joden getrouw heeft waargenomen. Hij stond ook in groote achting bij den Heere, daar het schijnt, dat hij een meer vrijen toegang had tot Christus dan Filippus. Verder, ofschoon hij in zwakheid, evenals de andere Apostelen, gevallen is, door zijn Meester te verlaten, heeft hij zich toch weder bij zijne medebroeders gevoegd. En, toen hij opnieuw het bevel ontvangen had tot de bediening van het Evangelie, en voornamelijk, nadat hij, gelijk de anderen, op den Pinkersterdag met den Heiligen Geest was vervuld, heeft hij het Evangelie met
ijver onder de heidenen gepredikt. Op zijne reizen heeft hij in vele landen gepredikt, zooals in Pontus, Galatië en Bithynië.
   Hij kwam ook in de omstreken van Antropophage, daarna in Scythië, en bereisde ook de noordelijke en zuidelijke landen, kwam zelfs tot in de omstreken van Byzantium en trok ook naar Thracië, Macedonië, Thessalië en Achaje, en predikte overal Christus, waardoor hij velen tot het geloof in Christus heeft gebracht. De leer van Christus, zijn Meester, heeft hij ook versierd en bekrachtigd met vele wonderen; maar, aangezien deze door sommigen op meer of minder fabelachtige wijze zijn beschreven, zullen wij die laten voor hetgeen zij zijn.
   Toen hij eindelijk naar den wil van den eeuwigen God, zijn loop had volbracht, heeft Aegeas, de stadhouder van Edassa, hem op bevel van den Romeinschen raad in de stad Patris, in Achaje, laten kruisigen.
   Hij onderging den marteldood, niet alleen omdat hij de christelijke waarheid voorstond, en de afgoderij der heidenen bestrafte, maar omdat hij Maximilla, de vrouw van den gouverneur, en diens broeder Stratocles bekeerde. Den dood aan het kruis te sterven achtte hij om Christus'wil gelukkig, en alzoo heeft hij met groote blijdschap en begeerte zijne ziel in de handen van God, zijn hemelschen Vader bevolen, en aldus zijn leven geëindigd, zooals de geschiedenis getuigt.

Volgende verhaal

Terug index verhalen