Lordhand

14
Thomas, de Apostel, in Indié door de wilden vermoord.

   Thomas, genaamd Didymus, dat is tweeling, was geboren in Galilea, en van beroep, zooals het schijnt, een visscher. Aangaande zijne ouders vindt men niets, en evenmin van den tijd, waarop hij bekeerd is, bij de Evangelisten beschreven, dan alleen van zijne roeping tot het Apostelambt. Zijne vurige liefde, die hij Christus toedroeg, zien wij vooral, toen hij zijne mede-Apostelen vermaande om op te gaan naar Jeruzlem en ook met Christus te sterven. Maar hij had toen nog niet gestreden tot den dood, en aangaande het doel van Christus' dood verkeerde hij nog in onwetendheid, waarom hij met de anderen den Heere heeft verlaten. Toen Christus zich aan de Apostelen openbaarde, was hij niet tegenwoordig; en, aangezien hij hen niet geloofde, tenzij hij zelf Christus zag en kon betasten, heeft de Heerre zich ook aan hem geopenbaard en zijn ongeloof bestraft. Als hij Christus zag, geloofde hij aan de opstanding van den Heere, beleed Hem als zijn Meester, en aanbad Hem als zijn Heere en God. Met de anderen ontving hij een nieuw bevel tot den dienst des Evangelies onder de heidenen.
    Korten tijd na de opstanding van Christus zond hij Thaddeüs naar den koning Abgarus. Daar hem de Evagelie-bediening in Parthië, Indië, Ethiopië en vele andere landen, zooals Hiëronymus getuigt, ten deel was gevallen, heeft hij vele landen doorrisd. Het schijnt echter, dat hij er tegen opzag om naar de Mooren en woeste volken van Indië te gaan; maar door gezichten van God werd hij gesterkt om dit werk op zich te nemen, en was bedeeld met kracht om wonderen te doen, waardoor zijn dienst bij die lieden zeer vruchtbaar was, en hij er velen tot God heeft bekeerd.
   Aangaande het uiteinde van Thomas is het verhaal het meest waarschijnlijk, dat hij in Calamina, eene stad in Oost-Indië, (waar Hieronymus ook zegt, dat hij ontslapen is) de gruwelijke afgoderij dier heidenen, welke het beeld der zon aanbaden, uitgeroeid heeft, zoodat hij den duivel zelven, door de kracht van God, zou gedwongen hebben, het beeld te vernielen. Over deze daad werd hij door de afgodische priesters bij hunnen koning aangeklaagd, en deze veroordeelde hem, dat hij eerst met gloeiende platen gepijnigd en daarna in een gloeienden oven verbrand moest worden. Toen de afgodische priesters, voor den oven staande, zagen, dat het vuur hem niet deerde, hebben zij hem met lansen en spiesen of speren, terwijl hij in den oven lag, de zijde doorstoken; en aldus was hij gelijkvormig aan zijne Heere Christus, Dien hij tot den dood toe volstandig heeft beleden, en rust alzoo van zijnen arbeid in de genoemde Calamina.


Volgende verhaal

Terug index verhalen