2
Johannes de Dooper
onthoofd, en zijn hoofd aan de overspelige Herodias gebracht.
[Jaar 32.]
Johannes, bijgenaamd de Dooper, uit den stam van
Aäron, een
zoon van den priester Zacharias en zijne vrouw Elisabeth, naar het
bevel van den Engel aldus genaamd, werd geboren ten tijde van den
koning Herodes, en wel op eene wonderbare wijze, toen zijne ouders op
hoogen leeftijd gekomen waren, en is van zijne geboorte aan vervuld
geweest met den Heilige Geest.
Toen hij nu omtrent dertig jaren oud was,
(ongeveer een
half jaar voor de Heere Christus Zijn Profetische ambt begon) in het
vijftiende jaar der regeering van den keizer Tiberius, toen Pontius
Pilatus stadhouder was, ten tijde van de Hoogepriesters Annas en
Kajafas, is hij van God geroepen en gezonden om te prediken den doop
der bekeering tot vergeving der zonden, en als een Engel of bode voor
het aangezicht van Christus den weg te bereiden voor den Messias, en
het hart der vaderen te bekeeren tot de kinderen.
Aangaande de heerlijkheid van dezen man had de
Engel des
Heeren gezegd, dat velen zich over zijne geboorte zouden verblijden,
dat hij groot zou zijn voor den Heere, om voor Hem te bereiden een
toegerust volk, en (zoals niet alleen de Profeten, maar ook Zachatrias
van hem door den Geest des Allerhoogsten had voorgezegd) om Zijn volk
kennis der zaligheid te geven van hunne zonden.
Als Johannes nu van God aldus was geroepen en
gezonden, om
van het licht van Christus te getuigen, kwam hij aan de Jordaan bij
Salim en elders, terwijl hij doopte en leerde. Hij bezat een
uitnemenden geest en verstand; en velen kwamen er om van hem gedoopt te
worden en naar zijne leer te hooren, onder wie vele geveinsden en booze
menschen, wien hij ernstig de waarheid zeide, bestrafte en vermaande
tot bekeering. De arme zondaars, tollenaars, krijgslieden en anderen
heeft hij met grooten ijver onderwezen en getroost in den weg der
zaligheid.
Toen hij met zijn werk begon, kwam Christus aan de
Jordaan
en Deze verzocht door hem gedoopt te worden, hetwelk hij eerst uit
nederigheid en met eene goede bedoeling weigerde; maar Christus
overtuigde hem, dat zulks noodig was, zoodat hij Hem dan ook doopte en
dadelijk van Christus getuigde, dat Hij het Lam Gods was en de
Bruidegom Zijner kerk, de ware Messias, Wiens schoenen hij niet waardig
was Hem na te dragen.
Aangezien Johannes doopte en leerde onder een zeer
grooten
toeloop van volk, waren er velen die twijfelden, of hij zelf niet de
Messias was, welke eer hij echter van zich afgewezen en Christus, Wien
zij alleen toekwam, gegeven heeft. De Farizeën en Jodenhebben
toen
hunne gezanten tot hem gezonden, om hem te vragen naar zijne roeping,
zending en gezag, omdat hij de Evangelische leer verkondigde, en
nochtans de Christus niet was. Hij heeft hun echter zoo geantwoord, dat
zij bedremmeld en beschaamd heengingen. Toen nu Johannes (die zeer
ijverig was,) vele leerlingen maakte, en die leerde vasten en bidden en
hij van zijn werk zich met loffelijken ijver kweet, won hij in groote
mate het vertrouwen, aanzien en gezag bij alle menschen, zelfs bij den
koning Herodes Antipas, die hem in waarde hield en gaarne hoorde. Maar
deze koning had zich aan eene goddelooze daad schuldig gemaakt, door
namelijk zijne eigen vrouw, de dochter van Aretas, den koning van
Arabië, te verstooten, en de vrouw van zijn broeder Filippus,
nog
bij het leven van haren man, tot zich te nemen, terwijl zijn broeder
reeds eenige kinderen bij haar had verwekt. Dit kon Johannes
overeenkomstig zijn ambt niet verduren, noch verdragen, en zonder vrees
voor ondank of geweld heeft hij hem openlijk over deze bloedschande
bestraft. Doch, daar de goddeloozen niet willen bestraft worden, zoo
haatte hij hem, en zocht eene aanleiding om hem te dooden. En aangezien
vele dachten, dat hij de Messias was, waardoor de toeloop des volks
dagelijks grooter werd, zoo heeft Herodes Johannes (onder den naam van
oproermaker) laten gevangen nemen en overbrengen in den kerker
Machaerus.
Intusschen heeft Johannes zijne werkzaamheden niet
gestaakt, en zelfs uit zijne gevangenis eenigen van zijne discipelen
tot Christus gezonden, om hen en anderen door Christus, leer en
wonderen van de waarheid van Diens toekomst te verzekeren, gelijk ook
heeft plaats gehad.
De Heere Christus heeft niet alleen toen, maar ook
later
bij herhaling eene goede getuigenis gegeven van zijne leer,
standvastigheid, zijn doop, en gesproken van zijne kleederen, eten en
drinken, in één woord, dat hij in alles was de
ware,
geestelijke Elia, een brandende kaars, de grootste Profeet onder hen,
die van vrouwen geboren waren. Dat hij geene teekenen deed, was
misschien wel dáárom, opdat men niet meenen
zoude, dat
hij de Christus was.
Maar de goddelooze en ontuchtige Herodias, nog
niet
tevreden, dat Johannes gevangen zat, legde hem lagen, om hem zoo
mogelijk te laten dooden, doch dit gelukte haar niet, want Herodes
vreesde Johannes. Doch op den verjaardag van Herodes gaf deze aan zijne
hovelingen een luisterrijken maaltijd, waarbij het dochtertje van
Herodias, ten genoegen van al deze lichtzinnige lieden, zeer mooi
danste. Herodes beschonken zijnde, vond daarin zulk een behagen, dat
hij het met eeden bezwoer, haar alleste zullen geven, wat zij begeerde.
Nu had Herodias gelegenheid zich op Johannes te wreken, en raadde hare
dochter aan, van Herodes te vragen, dat haar terstond het hoofd van
Johannes den Dooper in een schotel zou gebracht worden. Herodes, dit
hoorende, was zeer bedroefd; maar om zijn lichtvaardig gezworen eed te
houden, en om (zoogenaamd) zijn woord niet te breken tegenover zijne
hovelingen, stond hij haar verzoek toe; liever zijn zondigen eed
houdende, dan dien te breken, waarmede hij echter zich zoo niet zou
bezondigd hebben. De scherprechter werd nu naar de gevangenis gezonden,
en deze heeft Johannes zonder eenig rechterlijk vonnis onthoofd,
terwijl het hoofd van dezen Profeet, tot een bewijs van hunne
wreedheid, ten spot en schouwspel van deze goddelooze lieden, ja tot
eene getuigenis van de barbaarschheid van hen allen in een schotel
gebracht werd. Alzoo hebben zij hem, onder toelating van de
Voorzienigheid Gods vervolgd, gelijk zij begeerden.
De wreede Herodias wenschte wel, dat Johannes,
lichaam
onbegraven op het veld weggeworpen en door de dieren verslonden zou
worden, opdat men te minder aan hem als ook aan haar overspel zou
denken, doch zijne leerlingen hebben zijn lichaam weggenomen en
begraven.
Dit geschiedde omtrent het jaar 32 na de geboorte
van
Christus, en zijn lijk is te Sebaste in Palestina bewaard gebleven tot
den tijd van Julianus. Toen is zijn gebeente door de vijanden der
waarheid verbrand en de asch in den wind verstrooid. Maar de Heere
heeft den dood van dezen man in Herodes, Herodias en hare dochter
(zooals de geschiedenis getuigt) zeer zwaar gestraft.
Volgende
verhaal
Terug
index verhalen