21
DE TWEEDE VERVOLGING VAN DE CHRISTENEN ONDER KEIZER DOMITIANUS.
Domitianus,
als ware bij een erfgenaam van den haat tegen Gods volk en de
bitterheid van Nero, gaat met de tweede vervolging tegen de Christenen
voort. In deze vervolging, die verscheidene jaren geduurd heeft, zijn,
volgens de beschrijving, omgebracht de navolgende personen:
Timotheüs, een leerling van Paulus.
Timotheüs was geboren te Lystre, in Lycaonië. Zijn
vader was een Griek, maar zijne moeder Eunice en zijne grootmoeder
Loïs waren geloovige joodsche vrouwen, door wie hij van zijne
jeugd aan was onderwezen in de Heilige Schrift. Toen Paulus te Lystre
en Iconië eene goede getuigenis omtrent hem had hooren afleggen,
nam hij hem aan tot een leerling en metgezel in den dienst van het
Evangelie onder de heidenen, en liet hem te voren besnijden, en wel om
der Joden wil, die in die plaats waren, want allen wisten, dat zijn
vader een Griek was.
Boven alle anderen van zijne metgezellen heeft Paulus
dezen leerling bemind. en noemt hem zijn oprechten zoon in het geloof.
In zijne afwezigheid heeft Paulus hem ook naar vele plaatsen gezonden
en zijn dienst daar gebruikt, om, als hem vertegenwoordigende, alles te
doen tot opbouwing der gemeente van Christus, waarvan hij zich zeer
getrouw gekweten heeft, zoodat Paulus hem achtte als een Evangelist.
Nadat Paulus hem tot bisschop of opziener der gemeente Efeze had
geordend en aangesteld, schreef hij eenige bijzondere brieven aan hem,
om wakker te zijn in alles, verdrukking te lijden, het werk van een
Evangelist te doen en te waken, dat men van zijnen dienst ten volle
verzekerd zij, en hem te bejegenen, zooals het betaamt. Omdat hij de
afgoderij van Diana had bestraft, is hij onder de regering van keizer
Domitianus door de onwetende heidenen gesteenigd, en heeft alzoo zijn
loop volbracht.
De geschiedenissen verhalen, dat ook verder zijn omgebracht:
In Frankrijk, Lucianus, bisschop van Bellovaco.
Maximanus en Julianus, ouderlingen.
Nicasius, bisschop van Rouaan.
Quirinus, ouderling.
Scubiculus, diaken.
Patientia, eene maagd.
In Italië, Romulus, bisschop van Fesula en anderen op meer andere plaatsen.
Men meent ook, dat in dezen tijd is omgebracht in de stad
Pergamus, zekere Antipas, een getrouw getuige van Jezus Christus, van
wien gesproken wordt Openb. 2, vs. 13.
Marsilius Glabrio, die in het vorige jaar stadhouder van
Rome was, en op mannelijke wijze een leeuw overwonnen had, waarmede hij
veroordeeld was geworden te vechten, werd mede gedood. De reden, waarom
men hem en vele anderen doodde, was, gelijk Dion Niceüs schrijft,
dat zij zich aanstelden als Joden, zooals in die tijden de Christenen
door de heidenen genoemd werden, aangezien de Christenen uit de Joden
afkomstig waren. Men kan het er daarom voor houden, dat Glabrio en
anderen in dien tijd hebben moeten lijden om den naam van Christus en
het oprechte geloof.
Volgende
verhaal
Terug
index verhalen