Lordhand

22
DE DERDE VERVOLGING VAN DE CHRISTENEN ONDER KEIZER TRAJANUS.

   De derde vervolging tegen de Christenen is begonnen op bevel van keizer Trajanus, opgehitst door Mamertinus, stadhouder te Rome, en Tarquinus, overste van de heidensche afgoderijen. De afgodendienaars brachten ook geld op, en gaven schatting om de Christenen te vervolgen en uit te roeien, alles onder het voorwendsel, dat zij onwillig waren om de goden te aanbidden en met offeranden te vereeren, en dat zij vijanden van hen en van de Romeinsche republiek waren. Onder de martelaren in dezen tijd zijn de voornaamste:

Simeon, bisschop van Jeruzalem.
[Jaar 109.]

   Simeon, een zoon van Kleopas, die gehouden wordt voor een neef  des Heeren, omdat hij een zoon was van den broeder van Jozef, Christus pleegvader. Hij was uit den stam van Juda en derhalve van het koninklijke geslacht van David. Deze Simeon was een vroom dienaar van God, die den Heere Christus ook heeft gezien en gehoord, zooals uit zijn hoogen ouderdom wel op te maken is. Mogelijk behoorde hij ook wel tot de zeventig discipelen, die de gemeente Gods door prediking en leering met gehoorzaamheid hebben zoeken uit te breiden, totdat hij na den dood van Jacobus den jongere, op gezag van de Apostelen, in den dienst werd aangesteld en wel tot bisschop en opziener in de gemeente te Jeruzalem, omtrent het jaar 66 na Christus' geboorte. Dit ambt heeft hij zeer lang gediend, en met zulk eene getrouwheid, dat hij om de waarheid van Christus vele en zware pijnigingen heeft geleden. Gelijk men onder de keizers Vespasianus en Domitianus het koninklijk geslacht van David heeft zoeken uit te roeien, alzoo geschiedde het ook, dat onder de derde vervolging ten tijde van keizer Trajanus deze Simeon door de ongeloovige heidenen werd beschuldigd, niet alleen dat hij behoorde tot het koninklijk geslacht van David, maar ook dat hij een Christen was. Hierom werd hij gevangen genomen en aan Atticus, stadhouder te Jeruzalem, overgeleverd, die hem vele dagen achtereen met scherpe roeden dermate liet geeselen, dat ieder, die het zag, en ook de rechter zelf zich over hem moest erbarmen en verwonderen, hoe zulk een hoog bejaard man van 120 jaren eene zoodanige onlijdelijke marteling had kunnen uitstaan. Toen hij in zijne belijdenis even volstandig volhardde, is hij zijn Heere, Dien hij beleed, in het lijden gelijkvormig geworden, en werd door Atticus veroordeeld om gekruisigd te worden, in het 11jaar der regeering van Trajanus of 109 jaar na Christus.
  
Volgende verhaal

Terug index verhalen