Lordhand

23
Ignatius, bisschop van Antiochië.
[Jaar 109.]

Ignatius, een leerling van Johannes, den Apostel, en een navolger van Petrus en Evodus in den dienst der gemeente van Christus te Antiochië in Syrië was een zeer godvruchtig man, getrouw en naarstig in zijne bediening. Toen hij vernam, dat keizer Trajanus na zijne overwinningen, die hij behaald had op de volken van Dacië, Armenië, Assyrië en Andere Oosterche rijken, de afgoden te Antiochië openlijke dankte en groote offeranden bracht, alsof zij hem met deze overwinningen begunstigd hadden, ondernam hij het, den keizer daarover te bestraffen, ja (zooals Nicephorus verhaalt) zelfs openlijk in den tempel. De keizer was hierover zeer gebelgd, en liet Ignatius gevangen nemen, doch in Antiochië zelf niet straffen, en wel omdat hij bevreesd was voor oproer, aangezien deze bisschop daar in groot aanzien was; maar hij liet hem, vergezeld van tien soldaten, gebonden naar Rome voeren, om hem daar zijne straf te doen ondergaan. Op weg daarheen zijnde, heeft hij aan verscheidene gemeenten vele troostbrieven geschreven, zoals aan die van Smyrna, Efese, Philadelphia, Tharsen, Philippi, en in het bijzonder aan de gemeente van Christus te Rome; welken brief hij voor zijne komst daarheen zond, waarin hij onder andere verklaart, dat het zijne begeerte en verlangen was, om het christelijk geloof met zijn bloed te bevestigen.
Zijn eigen woorden luiden aldus: "Van Syrië af naar Rome reizende, te water en te land, bij dag en nacht, vecht ik met wilde beesten, zeer nauw tusschen tien luipaarden gebonden, die, inderdaad, hoe meer ik hen streel en grootere vrienschap bewijs, des te wreeder en wreveliger jegens mij worden. Doch door hunne wreedheid en pijnigingen, die zij mij dagelijks aandoen, word ik meer rn meer geoefend en geleerd, maar daardoor ben ik niet rechtvaardig. Och dat ik reeds bij de beesten ware, die gereed zijn mij te verscheuren! Ik hoop, dat ik ze eerlang zal vinden, zooals ik ze wensch, te weten, wreed genoeg om mij ten spoedigste te vernielen. Willen zij mij niet aantasten en verscheuren, dan zal ik hen vriendelijk lokken, opdat zij mij niet verschoonen, zooals zij reeds eenige Christenen verschoond hebben; maar dat zij mij haastelijk in stukken scheuren en verteren. Indien zij nog blijven weigeren, zal ik hen tergen en aansporren. Vergeeft mij, dat ik zoo spreek. Ik weet, wat mij noodig en bevordelijk is; nu begin ik eerst een siscipel van Christus te worden. Ik acht zichtbare noch onzichtbare dingen, waaraan de wereld zich vergaapt. Het is mij genoeg, als ik Christus maar mag deelachtig worden. Laat vrij de duivel en booze menschen mij allerlei pijn en smarten aandoen, met vuur, met kruisigen, met het worstelen tegen de beesten, met verstrooing van mijn ledematen en het geraamte van mmij lichaam, ja met verplettering en verbrijzeling mijns geheelen lichaams; ik acht dit alles zeer weinig, mits ik alleen Jezus Christus geniete, Alleenlijk, bidt voor mij, opdat mij innerlijke en uiterlijke kracht gegeven worde, om dit niet alleen te spreken of te schrijven, maar ook om het na te komen en te kunnen lijden, opdat ik niet alleen een Christen genaamd maar ook bevonden moge worden."
Toen hij te Rome kwam, werd hij door de soldaten aan den stadhouder overgeleverd, met de brieven van den keizer, waarin zijn vonnis geschreven stond. Eenigen tijd werd hij daar bewaard tot op zekeren feestdag vvan de Romeinen, op welken dag de stadhouder hem, naar het bevel des keizers, in de kampplaats liet voorbrengen. Nadat hij door vele pijnigingen van het christelijk geloof niet afvallig kon gemaakt worden, heeft men hem aan de leeuwen voorgeworpen, door welke hij terstond zeer gretig werd verslonden. Van hem wordt verhaald, dat toen hij aan de leeuwen werd overgegeven, om door hen verslonden te worden, en in het perk hoorde brullen, zeide: "Ik ben het koren des Heeren, ik word door de tanden der beesten gemalen en gekneed, opdat ik in Christus een rein brood worde." Alzoo is deze getrouwe bloedgetuige van Christus zalig ontslapen, in het jaar onzes Heeren 109, in het 11e jaar der regeering van keizer Trajanus.
Omstreeks dezen tijd werd ook, om den naam van Christus, omgebracht, zekere Publius, opziener der gemeente in Athene, een goed en vroom man, benevens vele anderen.
Zosimus, Rufus en anderen werden, om den christelijken godsdienst, ter dood gebracht en wel in de stad Philippi, in Macedonië.
Op bevel van keizer Trajanus, werd den 26sten October van het tijdelijke leven beroofd Evarestus, opziener van de gemeente te Rome.
Hermes, stadhouder van Rome, met zijne vrouw en kinderen, benevens nog 1250 menschen, werden levend om gods Woord in gloeiende ovens verbrand.
Spoedig daarna ondergingen hetzelfde lot Zeno, een Romeinsch edelman, en 10,203 menschen. Eveneens werden Eustachius en zijne vrouw te Rome om den naam van Christus omgebracht.
Justus en Pastor zijn, om dezelfde reden, in de Spaansche stad Complutum genaamd van het leven beroofd.
Tiberianus, stadhouder van Palestina, schreef aan keizer Trajanus, dat hij niet machtig was de Christenen wegens hunne groote menigte uit te roeien. Toen gebood de keizer, dat men de vervolging zou staken.
Men zegt ook, dat omstreeks dezen tijd om het christelijk geloof omgebracht is, en wel na vele smarten en pijnen te hebben geleden, Phocas, bisschop van Pontus.
Bovendien zijn om den naam van Christus nog verscheidene personen gedood, zooals in Italië, te Brescia, Faustina en Jobita. Te Messina, op Sicilië, ondergingen den dood Eleutherus en zijne moeder Anthia, en meer anderen in verscheidene andere plaatsen.
Te Tivoli, in Italië, werden ter dood gebracht Getulicus, een leeraar, en Symphorosa met hare zeven zonen; zoo ook zijn Cerealis en Amantius, in dezelfde stad, om den naam van Christus gedood.
Saphyra, eene maagd te Antiochië, en Sabina, eene weduwe van Valentin, zijn te Rome om dezelfde reden gedood.
Den 5den Januari werd, om den christelijken godsdienst, het leven ontnomen aan Telesphorus, opziener van de gemeente Rome.
Volgende verhaal

Terug index verhalen