Lordhand

3
Stefanus, de diaken, gesteenigd.
[Jaar 34.]

   Stefanus, wiens naam vertaald wil zeggen ,,kroon" was, naar de meening van Doretheüs, een van de zeventig leerlingen van Christus, hoewel Eusebius zegt, dat men niet juist beschreven vindt, vanwaar hij was, en of hij een Jood was of een Griek (gelijk het laatste uit zijn naam schijnt te volgen) is niet met zekerheid met zekerheid bekend. Zoo weet men ook niet, waar hij is geboren en wie zijne ouders zijn geweest. Lukas verhaalt, Hand. 6 vs. 5, dat hij de eerste was van de zeven diakenen, een man vol des geloofs en des Heiligen Geestes; en nadat hij door de Apostelen met oplegging der handen in zijnen dienst was bevestigd, is hij ook begaafd geweest met krachten en wonderdaden, en deed groote teekenen onder het volk.
   Hij was zeer geleerd en welsprekend. Misschien behoorde hij vroeger tot de secte der Libertijnen, die met anderen met hem twistten; maar zij konden de wijsheid en den Geest, door welken hij sprak, niet wederstaan, zoodat zij, volgens, niet wederstaan, zoodat zij, volgens hunnen ouden aard, met vele valsche getuigen tegen hem opstonden onder het volk oproer verwekten en hem beschuldigden, dat hij lasterlijke woorden had gesproken tegen de wet en den tempel, en dat hij betuigd had, dat Jezus van Nazareth die plaats zou verbreken, en de zeden veranderen, die Mozes hun had overgeleverd. Om dit alles werd hij gevangen genomen, en in den raad gebracht, terwijl zij zagen dat zijn aangezicht blonk als van een Engel. Hoe hij zich heeft verontschuldigd, Christus" eer gehandhaafd en de waarheid verdedigd, blijkt uit de welsprekende en belangrijke redevoering, die hij gehouden heeft voor den geheelen Joodschen raad te Jeruzalem, gelijk wij zien Hand. 7, waarin hij het geheele Oude Testament, de wet en de Profeten doorliep, en eindelijk alles toepaste op Jezus Christus, Die het einde der wet is tot rechtvaardigmaking voor een iegelijk, die gelooft, hen bestraffende, dat zij de Profeten gedood, die te voren verkondigd hadden de komst des Rechtvaardigen, van Wien zij nu verraders en moordenaars geworden waren.
   Toen zij dir hoorden, barsten hunne harten en knarsten zij de tanden tegen hem; maar hij, vol zijnde des Heiligen Geestes, en de oogen houdende naar den hemel, zag de heerlijkheid Gods en Jezus staande ter rechterhand Gods, Die hem van de zaligheid verzekerde en versterkte in zijn lijden, terwijl Stefanus zeide",,Ziet, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des menschen, staande ter rechterhand Gods." Maar zij, roepende met groote stem, stopten hunne ooren, vielen eendrachtig op hem aan, wierpen hem de stad uit en steenigden hem. Maar de steenen waren hem als beken der zoetigheid. Met eene groote stem riep hij: Heere, ,,reken hun deze zonde niet toe;"  en, terwijl hij op de knieën nederviel, zeide hij: ,,Heere Jezus ontvang mijnen geest."
   
Alzoo is Stefanus ontslapen in den Heere in het jaar 34 na de geboorte van Christus, zijnde het negentiende jaar van de regeering van Tiberius, in het zevende jaar na den doop van Christus, hetwelk het acht en dertigste jaars zijns ouderdoms was. Eenige godvruchtige mannen begroeven hem, en hieven over hem eene groote rouwklacht aan.

Volgende verhaal

Terug index verhalen