Lordhand

4
Jacubus, de zoon van Zebedeüs, onthoofd.
[Jaar 45.]

   Jacobus, de zoon van Zebedeüs en Salome, genaamd de groote, ter onderscheiding van Jacobus, den zoon van Alfeus, niet omdat hij ouder of voornamer was dan de andere, maar omdat hij voor hem was geroepen tot een discipel van Christus. Hij was een visscher, die, gehoorzaam aan Christus, alles verliet en Christus is nagevolgd. Met anderen werd hij geruimen tijd in het Apostelambt onderwezen, totdat hij ordelijk daartoe werd uitgezonden onder de Joden, toegerust met gaven om teekenen en wonderen te doen; en wegens zijne uitnemende gaven werd hij een van de drie Boanerges, dat is, zonen des donders, genaamd. Bij alle niet openbare handelingen van Christus was bij tegenwoordig, zooals bij het opwekken van het dochtertje van Jaïrus, alsook bij de verheerlijking van Christus op den berg, en in den hof van Gethsemané.
   Daar hij zich hierop schijnt verhoovaardigd te hebben, heeft hij zich boven zijnde mede-Apostelen zoeken te verheffen, zoodat zijne moeder aan Christus verzocht, of hare beide zonen, van wie hij er een was, in zijn koningkrijk zouden zitten, de een aan zijne rechter-, en de andere aan zijne linkerhand. Christus heeft echter dit verzoek bestraft, toen Hij zeide: ,,Gijlieden weet niet, wat gij begeert; kunt gij den drinkbeker drinken, dien Ik drinken zal, en met den doop gedoopt worden, waarmede Ik gedoopt word?" En als hij en zijn broeder Johannes zich daarop lichtvaardig hadden beroemd, heeft Christus hun voorzegd, dat zij Zijn drinkbeker wel zouden drinken, en met den doop, waarmede Hij gedoopt werd, gedoopt zouden worden, maar dat het zitten aan Zijne rechteren aan Zijne linkerhand bij Hem niet stond te geven, maar dat het zal gegeven worden, wien het bereid is van Zijn Vader. Na Christus' dood heeft hij zich bij de andere Apostelen gevoegd, om ook getuige te zijn van Zijn lijden, dood en opstanding, en om in de veertig dagen na Zijne opstanding, onderwezen te worden in de dingen van Zijn koningkrijk. Na de hemelvaart van Christus bleef hij te Jeruzalem, en, toen hij ook daar den Heiligen Geest ontvangen had, predikte hij het Evangelie in Judea en Samaria. Vandaar is hij (zoals sommigen verhalen) naar Spanje gegaan; maar, daar weinig vrucht op zijn werk ondervindende, is hij naar het Joodsche land teruggekeerd, waar hij, naar men zegt, te doen had met Hermogenes, een toovenaar, en vele wonderen gedaan heeft. Abdias, bisschop van Babylonië, en anderen verhalen vele dingen van hem, die wij echter, omdat zij zeer fabelachtig zijn, verzwijgen.
   Deze Apostel heeft niet langer geleefd dan tot omtrent het vierde jaar der regeering van Claudius, toen Agabus een hongersnood over de geheele wereld had voorzegd. Toen heeft deze keizer aan Herodes Agrippa bevolen de kerk van Christus te verdrukken. Om het volk te behagen, sloeg deze koning zijne bloedige handen aan deze Apostel, heeft hem even voor het Paaschfeest in de gevangenis gezet en daarna ter dood veroordeeld, zoodat hij te Jeruzalem met het zwaard gedood is in het jaar 45 na Christus'geboorte. Clemens verhaalt, dat de scherprechter toen deze zijne onschuld zag, tot het christendom bekeerd en ook het hem gestorven is.

Volgende verhaal

Terug index verhalen