Lordhand

9
Simon Petrus gekruisigd te Rome, onder keizer Nero.

   Simon, de zoon van Jona en broeder van Andreas, geboren te Bethsaida in Galilea, was een visscher van beroep, die zijn huis en woonplaats had te Kapernaüm bij de moeder van zijne vrouw. Door zijn broeder Andreas, die een leerling van Johannes den Dooper was, werd hij het eerst tot Christus gebracht, en spoedig daarna met zijn broeder van de zee geroepen, om een visscher der menschen te worden. Toen Christus hem uitzond tot de verloren schapen van het huis Israëls, gaf Hij hem den naam van Cephas of Petrus. Van Christus genoot hij een uitnemend onderwijs en is in Diens school derwijze toegenomen, dat hij als het ware de mond of woordvoerder van al de Apostelen is geworden. Voornamelijk was hij de vrijmoedigste in het vragen en antwoorden, als ook de meest ijverende voor Christus, om Hem zijne liefde en trouw te bewijzen, hoewel hoewel hij zijn ijver dikwerf zeer onnadenkend en zonder kennis betoonde, zooals hij ook daarover dikwijls door zijn Meester is bestraft geworden; nochtans beminde Christus hem niet minder dan de anderen, en was hij bij Hem in groote achting en aanzien. Hij was een van de drie Boanerges, dat is, zonen des donders, en met Jacobus en Johannes getuige van Christus, verheerlijking op den berg. In de volgorde der namen komt hij in de eerste plaats voor, niet om het hoofd te zijn of heerschappij te hebben boven de anderen, want dit heeft Christus hun allen met duidelijke woorden en Zijn voorbeeld verboden, maar om hem te eeren als den aanzienlijkste onder hen. Hij werd gehouden voor een pilaar der kerk, doch hij niet alleen, want de anderen waren het ook. Hem waren de sleutels van het koningkrijk beloofd, maar, toen die werden gegeven, ontving hij geen meerder gezag dan de anderen. Christus beval hem wel Zijne schapen te hoeden, maar hem niet alleen, want den anderen werd dit ook opgedragen. Hij heeft ook nooit eenige heerschappij over de anderen gevoerd, maar zich gaarne aan het oordeel van anderen onderworpen; ja hij heeft zich door de Apostelen laten uitzenden en geleiden, zelfs bestraffen, wanneer hij niet goed handelde.
   Hoewel hij de stoutste was in zich te beroemen met Christus te willen lijden, en de zwakste toen de strijd begon, nochtans heeft hij daarna met groote vrijmoedigheid het woord gevoerd tot de menigte. Door de kracht des Heiligen Geestes was hij zoodanig versterkt, dat hij voor niemand, hoe groot ook en machtig naar de wereld, heeft gevreesd; en bijzonder vrijmoedig betoonde hij zich in het bestraffen van zondaren. Rijke vruchten heeft zijn werk gedragen, zoo zelfs, dat hij wel eens eenige duizenden menschen tegelijk tot het geloof heeft gebracht. Zijne leer heeft hij ook met teekenen, zooals Christus beloofd had, bekrachtigd, als aan den kreupele, Ananias en Saffira, Eneas, Tabitha en anderen. De wil des Heeren tot de roeping der heidenen werd hem van den hemel geopenbaard. En, daar hij eigenlijk een Apostel was der Joden, heeft zijn arbeid zich krachtig onder de besnijdenis betoond.
   Wel heeft de Heere Christus aan Petrusdiens dood voorzegd, maar hij heeft eerst veel om Christus wil geleden. Te Jeruzalem, waar hij van de waarheid van Christus op krachtige wijze getuigenis aflegde, is hij met Johannes gevangen genomen en voor den Joodschen raad gebracht, die hen scherpelijk heeft bedreigd, dat zij niet meer in den naam van Jezus zouden spreken of leeren.
   Daaraan hebben zij echter geen gehoor gegeven, maar antwoordden hun: ,,Oordeelt gij, of het recht is voor God, ulieden meer te hooren dan God?"
   Terwijl Petrus weder gevangen genomen was met de anderen Apostelen, zijn des nachts op wonderdadige wijze door den Engel, die de gavangenis opende, eruit geleid.
   Daarna zijn zij andermaal gevangen genomen, en door den Joodschen raad gegeeseld, en met het bevel, dat zij niet meer zouden spreken in den naam van Jezus, heeft men hen laten gaan, terwijl zij verblijd waren, dat zij waren waardig geweest, om Zijns naams wil smaadheid te lijden.
   Daarna liet Herodes Petrus te Jeruzalem in de gevangenis zetten, met het voornemen om hem na het Paaschfeest te dooden, zooals hij Jacobus, den broeder van Johannes, om het volk te behagen, had gedaan, doch God heeft hem des nachts van zijne ketenen en uit de sterk gebouwde gevangenis verlost.
   Petrus is ook te Antiochië geweest, en heeft daar de gemeente Gods gesticht. Toen hij daarna in het Joodsche land was teruggekeerd, heeft hij een grooten strijd gehad met Simon den toovenaar. Ook heeft hij Babylon bezocht, en wel Babylon in Assyrië, welke stad vroeger de zetel des rijks was. Want, aangezien Petrus een Jood was een Apostel der Joden, zoo bezocht hij op zijne reizen zijn volk van welke velen, na de Babylonische ballingschap, in die Oostersche landen woonachtig waren, en heeft van daar ook geschreven aan de Joden, die verstrooid waren in Pontus, Galatië, Cappadocië, Azië en Bithynië.
   Wel hebben eenige leeraars uit de Roomsche kerk, onder wie ook is de jezuiet Bellarminus, beweerd, dat door dit Babylon, van waar Petrus zijn eersten zendbrief geschreven heeft, Rome zou moeten verstaan worden, omdat in de openbaring van Johannes dikwijls Rome Babylon wordt genaamd, opdat zij Petrus alzoo tot bisschop van Rome zouden kunnen maken. Men moet echter niet vergeten, dat Petrus niet het minste wordt gevonden, waaruit kan blijken, dat hij van Rome spreekt; want hij maakt alleen melding van Babylon, zonder eenige bijvoeging, waarom het duidelijk is, dat hij van het eigenlijke Babylon spreekt, en er geene andere stad mede bedoelt. Ten anderen, wanneer Petrus uit Rome zijn zendbrief had geschreven, waarom zou hij Rome niet hebben genoemd? Paulus heeft verscheidene zendbrieven uit Rome geschreven, en toch noemt hij Rome geen Babylon. Vervolgens, indien Petrus gewild had, dat zij, aan wie hij schreef, weten zouden, waar hij was, zoo had hij liever den eigen dan een anderen naam moeten schrijven. En dat hij dit ook heeft willen doen, blijkt daaruit, dat hij uit Babylon de groetenis doet. Eindelijk, wanneer Petrus deze brief uit Rome had geschreven aan de gemeenten in Azië, dat zou het niet waarschijnlijk zijn, dat hij de gemeenten in Griekenland, Illyrië en Thracië, die daar tusschen lagen, zou hebben vergeten.
   Maar, zoo wij het van het eigenlijke Babylon verstaan, dan is er overeenstemming. Want niets is meer gepast dan dat de Apostel, terwijl hij zich te Babylon ophield, zorg droeg voor de gemeenten in Azië, die dichter bij Babylon lagen dan de gemeenten in Europa, die zoover vandaar verwijderd waren.
   De bewering van de Roomsche kerk, dat Petrus te Rome bisschop zou geweest zijn, kan uit de Heilige Schrift niet bewezen worden, aangezien Petrus daarvan in zijne zendbrieven geen melding maakt, evenmin Paulus, noch Lucas, die de Handelingen der Apostelen en hunne reizen met vlijt heeft te boek gesteld. Veel minder nog kan er worden bewezen, dat hij daar vijf en twintig jaren zou hebben gewoond en onder Nero gekruisigd zou zijn. In den brief aan de Galatiërs, hoofdst. 2, vs. 7, leest men, dat aan Petrus door God was toebetrouwd het Evangelie der besnijdenis en aan Paulus dat der voorhuid; dat is, dat hij het Evangelie zou verkondigen aan de Joden en Paulus aan de heidenen. Zou dan Petrus jaren lang tegen het bevel van God gehandeld en zich vijf en twintig jaren onder de heidenen gehouden hebben, en het tegendeel hebben gedaan van hetgeen hem bevolen was? Dat zij verre van zulk een heilig Apostel!
   Eenigen van de Roomsche kerk zeggen, dat Petrus in het tweede jaar der regeering van keizer Claudius te Rome kwam, anderen in het derde en wederom anderen in het vierde, ofschoon in Hand. 15 staat, dat Petrus de kerkvergadering te Jeruzalem bijgewoond heeft, die gehouden werd in het zesde jaar van Claudius' regeering, en het achttiende jaar na Christus' hemelvaart, gelijk te zien is in het eerste en tweede hoofdstuk van den brief aan de Galatiërs zoo als ook Hiëronynus die daarover geschreven heeft, mede getuigt.
   Opmerkelijk is het, dat Petrus vroeger niet te Rome geweest was, want in de Handelingen der Apostelen worden vele schoone leeringen en wenken verhaald, die Petrus intusschen gegeven heeft, en, ware nu ook Petrus in dien tijd te Rome geweest, dan zou Lukas dat ook niet met stilzwijgen zijn voorbijgegaan. De pausgezinden, en onder hen Bellarminus, zeggen, dat hij na zijn verblijf te Rome zeven jaren te Antiochië zou vertoefd hebben, maar men moet hem dan ook tijd geven, om het Evangelie te prediken in Pontus, Cappadocië, Azië en Bithynië, zooals daarvan Origenes en Eusebius getuigen. Daartoe heeft hij acht, negen of meer jaren noodig gehad, want de vijf jaren, die zij daarvoor berekenen, zijn niet voldoende om in deze uitgebreide en machtige landen het Evangelie te verkondigen. Indien men nu, zoo als het behoort, deze jaren te zamen telt, zal men bevinden, dat Petrus langer heeft geleefd dan Nero, en hoe heeft dan Nero Petrus te Rome kunnen laten kruisigen.
   Daarenboven, toen Paulus te Rome kwam, zijn hem zooals Lukas schrijft, Hand. 28, vs. 15, de Christenen te gemoet gekomen. Indien Petrus toen ook te Rome ware geweest, dan zou deze hem, zonder twijfel, ook zijn te gemoet gekomen, en Lukas zou dit niet verzwegen hebben.
   Aan het slot van den brief, dien Paulus aan de Romeinen schreef, liet hij vele Christenen groeten, die in naam, bediening en allerlei deugden minder geschat kunnen worden dan Petrus, en hem noemt hij niet. Zeer onbetamelijk zou het geweest zijn, indien hij zulk een voornaam persoon zou hebben verzwegen, indien deze toen te Rome ware geweest. Dat hij voor dien tijd te Rome is geweest, blijkt evenmin, daar Paulus, die hun geloof zoo roemt, zulk een Apostel, wanneer hij daar den grond des geloofs had gelegd, niet zou hebben verzwegen, want hij is gewoon hun vooral te gedenken, door wie de gemeenten het eerst werden gesticht, zooals uit zijne brieven aan de Philippensen, Corinthiërs, Colossensen en anderen blijkt. Duidelijk is het dus, dat het niet mogelijk is, dat Petrus vijf en twintig jaren te Rome als bisschop zou hebben verkeerd.
   En, hoewel Eusehius, op gezag van Origenes verhaalt, dat Petrus, nadat hij den Joden, die in Pontus, Galatië, Bithynië, Cappadocië en Azië verstrooid waren, het woord Gods had gepredikt, eindelijk ook te Rome is gekomen, en daar door Nero tot den kruisdood veroordeeld, en met het hoofd naar beneden is gekruisigd, omdat hij alzoo begeerde te lijden, aangezien hij zichzelven niet waardig achtte zoo aan het kruis te hangen als de Zoon van God zijn Zaligmaker geleden had; zoo besluit nochtans Hiëronymus en Lyra, en niet ongevoegelijk, uit de woorden van Christus, Matt. 23, vs. 34, dat hij niet te Rome maar te Jeruzalem is gekruisigd. Doch hierover laten wij den verstandigen lezer zelven oordeelen, en hem kiezen, wat het beste keurt; want, naar onze mening, is het voor de pausgezinden van even weinig belang, dat hij te Rome, als voor ons, dat hij te Jeruzalem is gedood.


Volgende verhaal

Terug index verhalen